Kovvie mit kouke – in de herhaling
Toen ik een jaartje in Londen woonde, werd me regelmatig gevraagd waar ik vandaan kwam. Mijn tongval verraadde dat ik geen hardcore Londenaar was. Stond mijn wieg in Wales? Kwam ik uit Kent? Of was ik Scottish? Ik moest daar altijd hartelijk om lachen. Dat raadsel over mijn uitspraak maakte het gesprek interessant. Hoe anders is dat hier, in Nederland. Voor mij geen gelach als mijn gesprekspartner informeert of ik uit het Oosten of nee, iets hoger, uit het Noorden kom? Dan ben ik op z’n minst even stil.
Grof
Als mijn liefje hoort hoe ik spreek aan de telefoon met mijn ouders, kan hij het vaak niet laten om te zeggen…ik weet het niet, hoor, schat, maar dat Groningse accent van je klinkt zo .… om daar gelijk aan toe te voegen: maar het geeft niet! Van zo’n opmerking ben ik altijd lichtjes in de war. Want het is toch ook niet erg? Ook al vind je het niet mooi? Ikzelf vind het Gronings ook vaak grof klinken. Die klank, die tongval, het geknauw en geklauw tussen klinkers en medeklinkers…. Ooit vond ik het dom en plat klinken, maar dat was meer omdat het niet echt leefde in mij. Ik gebruikte de woorden niet. Beluisterde het slechts als tegenhanger van het Nederlands (whatever that may be). En dan ook nog alleen bij de koffie met kouke. Meer en meer rolt het dialect en het Gronings toch zomaar vanuit mijn diepste zijn over mijn lippen. En dat vind ik verrassend en eigenlijk heel fijn!
Worrels
Ik besefte dat eens te meer toen ik in de krant een stuk las van Auke Hulst, geboren in Oost-Groningen. Zijn liefde voor het Grunnegs was een soort herontdekking toen hij luisterde naar een interview met een melkveehouder uit Garmerwolde in de strijd tegen de gasboringen. Ik voelde me direct thuis. Dat gebeurt altijd instant als ik Groninger worrels hoor bij iemand die ik bijvoorbeeld moet interviewen. Dan ben ik weer Oost-Groninger. Dat mag ík dan vinden, anderen in de provincie of in stad vinden me vaak een nuffig wicht dat zonodig weg moest gaan en geen goud Grunnings meer kan spreken.
Boers gebrom
In Oost-Groningen word ik gezien als westerling. Als ik me dan, zoals nu, verweer met: ‘ja maar ik versta het Gronings moeiteloos’, word ik meewarig aangekeken. Klinkt er zoiets als ‘dat zal wel’ en gaat de beoordeling met een groot schouderophalen binnensmonds verder. Grammietig word ik daarvan. Die nukkigheid, dat stugge, dat kortzichtige boerse gebrom. Het doet me denken aan de verjaardagsfeestjes vroeger thuis bij mijn ouders. Als de strijd tussen Veendam en Pekela oplaaide waren mij ouders volgens hun broers en zussen over het paard getilde mensen die hun erfenis verkwanselden omdat ze hun dochters opvoedden in het Nederlands. Met de arrogantie van de Veendammer wind. ‘Dat is ja naargens goud veur!’
Neefjes
Het lijkt een klankkast waarbinnen ik niet meer pas. Of toch wel? Toen ik las dat Auke Hulst uit Hoogezand weg kwam, hij neefjes zegt tegen steekmuggen en iemand van daar is, besloot ik inwendig: ik pas ook. Nog steeds. Want ik heb het nog steeds. Meer dan ooit, waarschijnlijk. Liefde voor de streek waar ik geboren ben, de mensen, de cultuur en ja, dus ook de taal, het dialect. Het past bij de rode draad die zich presenteert in mijn leven. Ik ben veel bij mijn ouders in Veendam, haiku geregeld met vriendin die daar ook nog woont en ik voel dat ik gauw weer eens langs moet in Onstwedde bij Geert. Om het verhaal Dubrodochter weer eens wat op te poetsen. Kom ik op terug. Daarbij ga ik binnenkort stappen zetten in stad en ommelaand voor de Stichting ‘een boek voor jou.’ Zal in ieder geval Auke binnenkort maar eens een berichtje sturen. Veur een kovvie mit kouke. We wonen bij elkaar om de hoek….In het Wilde Westen.